Voordracht Ingmar Heytze

Tijdens de Open Tuinendag Utrecht 2015 hield de Utrechtse dichter Ingmar Heytze ter ere van het lustrum een prachtige voordracht in de tuin van Zuylenspiegel. De reacties waren zeer enthousiast. Hieronder kunt u de tekst nalezen.

O TUIN

Laat ik beginnen met een gedicht van iemand anders. Het gaat over een woedende tuinman, en het is geschreven door Frank Koenegracht. Het gedicht gaat over een werkelijk bestaande tuin. Om precies te zijn, de tuin van Harry ter Balkt – ook een dichter, en sinds dit jaar helaas een dode dichter – in de Cimbaalstraat in Nijmegen. VPRO-coryfee en vriend van de poëzie Wim Noordhoek schrijft over deze tuin in zijn Avondlog van 10 maart jl.; ‘Een lege, donkere tuin op het Noorden. Niet groot. (…) Eens had Harry geprobeerd er wat van te maken. Iets te poten, te zaaien. Maar wat hij ook probeerde, het verdorde en er kwam niets op. (…) Hij was boos op de tuin, vertelde Frank.’

TUINMAN BOOS OP TUIN

Als de dingen volgens u waren, tuin

dan waren ze volgens u.

Maar als de dingen volgens ons waren

dan waren ze volgens ons.

 

Erg waren de dingen

en zij vielen niet mee,

maar zij waren dan niet

volgens u, o tuin.

 

Frank Koenegracht,uit de bundel Zwaluwstaartjes, 1994

Boos zijn op een tuin is een even machteloze als plastische emotie. Plastisch omdat je het voor je ziet: een woedende man in een overall, die zich de haren uit het hoofd trekt, zijn snoeischaar in het vijvertje keilt en een hark op zijn knie breekt. Wat is er gemener dan een tuin die niet doet wat je wilt, die het verdomt, ondanks alle liefde, tijd en geld die je erin stopt.

Ooit schreef ik een gedicht over kijkdozen, ook een soort tuinen, zeker als je er ruzie mee krijgt. En dat gebeurt al snel, omdat een kind zijn eigen fantasie niet bij kan benen met zulke simpele wapens als toiletrollen, mos uit het bos, beschimmelde kastanjes op cocktailprikkers, gelig plakband en een oude, ingedroogde lijmstift – dit kind tenminste niet. De kijkdoos in mijn hoofd had weidse vergezichten, lichteffecten, waterpartijen en vioolmuziek, een soort Assepoester in 3D. Er bestond, kortom, geen enkele relatie tussen het droombeeld dat ik op de schone, lege schoenendoos projecteerde, en het doorgelekte, vormeloze resultaat. Eenmaal volwassen dichtte ik erover:

DE GELUKKIGSTE TIJD VAN JE LEVEN

Waarom werd mijn kijkdoos

nooit een sprookjesbos maar altijd

een doorweekte hoop karton

rondom een vormeloze klont

papier-maché vol mos en eikels

die geen bomen wilden worden?

Ingmar Heytze, uit de bundel Elders in de wereld, 2008

Toch is er nog één ding erger dan een totaal mislukte kijkdoos, en dat is een geslaagde. Van tuinen die te goed zijn gelukt krijg ik ook de zenuwen, om precies dezelfde reden. Laatst was ik in Leidsche Rijn, in de jonge, prachtige en weergaloos aangelegde Vlinderhof in het Máximapark. De tuin is ontworpen door een grootheid, Piet Oudolf, en wordt met liefde en kunde beheerd door de bewoners. De tuin is er, geloof ik, nog maar een jaar, en je kijkt er nu al je ogen uit. Het is de volkomen geslaagde kijkdoos van het mooiste meisje van de klas dat ook nog eens gewoon heel aardig is en voortreffelijk harp speelt. Juist daardoor moest ik de neiging bedwingen om een conifeer uit de grond te rukken en ermee om me heen te gaan maaien.

Ik woon niet voor niets in een klein, scheef, oud maximaal uitgebouwd arbeidershuisje op een stevige steenworp van de historische binnenstad. Ik voel me nu eenmaal meer thuis in een wat slordiger omgeving, zoals de verschillende monumentale, enigszins verwaaide kerkhoven waar ik geregeld te vinden ben. Dat komt niet door mijn zwart-romantische inslag – voor een dichter ben ik praktisch een lachebekje – maar door het feit dat één van deze begraafplaatsen zo ongeveer mijn achtertuin is. Ik heb een dochter van twee, en dit was de dichtstbijzijnde plek waar ze haar eerste stapjes buiten de deur kon zetten zonder verkeer in de buurt. Inmiddels zijn er zoveel foto’s waarop ze blij rondscharrelt over diverse dodenakkers, dat we haar later een hoop uit moeten leggen. Ik zet af en toe alvast wat geld opzij voor toekomstige therapiesessies.

In Nederland mag de natuur eigenlijk niks. Als er in dit land ergens een boom op zijn kant ligt, zijn de opruimdiensten al onderweg. Ligt de boom in een bos en duurt dat langer dan drie dagen, dan is dat een stukje ecologisch natuurbeheer, een kortstondig gedogen van wildgroei tussen twee snoei-, rooi- en maaisessies in. Eigenlijk vind ik dat er ook niet uitzien. Ik voel me misschien nog het meest op mijn gemak in stadstuinen, zoals de Oude Hortus en de diverse Pandhoven. Het is groen tussen steen, maar die stenen zijn inmiddels ook al zo oud dat het in feite ook een soort planten zijn geworden. In opdracht van de Universiteit Utrecht schreef ik een gedicht ter gelegenheid van het het zoveeljarig bestaan van de Hortus Botanicus van de Universiteit Utrecht – een tuin die, voor wat betreft de Oude Hortus, evenzeer een bewonersproject is als die Vlinderhof in Leidsche Rijn, met dat verschil dat de Oude Hortus al een paar honderd jaar bestond en moest gered van het totale verval, in plaats van te worden ontfutseld aan de leegte van de toekomst.

SCHEPPING

Het is maar een verhaal:

misschien kwam er een boot vol zaden

langs de singel varen. Wie erbij was slaapt al eeuwen in de aarde en komt niet meer op. Er liep, wie weet, een witte heks over het hondenkerkhof

die de planten uit de grond kon praten. Ergens woont een man die reuzenlelies open zingt met aria’s. Een ander vliegt de wereld rond met koffers vol cocons. We stonden bij de waterval die door de rotsen scharrelt. Hij ruiste:

‘Een tuin die het goed doet is een groter wonder dan ruimtevaart. Je plukt en wiedt achter de feiten aan,

de tijd verdwijnt onder je schoffel, de toekomst blijft ongewis. Zo leer je je plaats. Een tuin

is een gesprek met je wortels.’

Ingmar Heytze, uit de bundel Utrecht voor beginners en gevorderden, 2015